Smokkelgenade

In haar televisiepraatje van afgelopen maandag zei Beatrix dankbaar te zijn, omdat zij onze koningin heeft 'mogen' zijn,— een buitengewoon raadselachtige uitspraak. Mogen? Het zou een té flauwe republikeinse jij-bak zijn door hier simpelweg op te antwoorden dat Beatrix dat helemáál niet mocht, althans, de Nederlanders is nooit iets gevraagd. Vermoedelijk bedoelt zij ook iets heel anders met dat 'mogen', iets dat kennelijk niets te maken heeft met mogen in de betekenis van toestemming ergens voor hebben. Een kind dat toestemming krijgt om een koekje te pakken opent de trommel immers ook niet met de woorden 'Wie ben ik dat ik dit mag doen?', net zomin als de loodgieter die in een ondergelopen kelder kruipt om een riool te ontstoppen. Blijkbaar is er iets raars aan de hand met dat koninklijke 'mogen'.


Oranje's goddelijke uitverkoring
(Den Haag, Station Hollands Spoor)
Afgelopen vrijdag verklaarde Willem-Alexander eveneens dankbaar te zijn dat hij zijn moeder mocht opvolgen, en het land te mogen dienen. Of hij inderdaad ons land gaat dienen is nog maar zeer de vraag, vooralsnog heeft het er alle schijn van dat juist het omgekeerde het geval is. Maar opnieuw is hier geen sprake van toestemming, want die heeft Willem-Alexander helemaal niet nodig. In de grondwet is eenvoudigweg bepaald dat het hoogste bestuurlijke ambt van dit land automatisch wordt overgedragen aan de eerstgeborene van de zittende monarch, in geval die daar afstand van doet. Niks toestemming, hier is gewoon sprake van dwingende noodzaak. In 1848 heeft de zoon van toenmalig koning Willem II zelfs tot twee maal toe geprobeerd de koningsbeker aan hem voorbij te laten gaan, maar de nieuwe grondwet was onverbiddelijk: vanuit Engeland werd hij er bijna letterlijk aan zijn haren bijgesleept en kreeg vervolgens die kroon op zijn hoofd geduwd. Een hoofd dat, zoals later zou blijken, buitengewoon ongeschikt was om samen te werken met regeringen. Ministers, zo meende de koning, hadden allemaal zo'n hinderlijke neiging om mee te willen regeren.





Strikt genomen had Willem-Alexander dus beter kunnen verklaren er tegenop te zien zijn moeder te moeten opvolgen, want in het geval van loutere plichtsvervulling is dankbaarheid weer niet op z'n plaats. Maar nee, hij is integendeel dankbaar en ontroerd haar te 'mogen' opvolgen. Sterker nog: hij zegt het zelfs een eer te vinden, evenals Máxima die het een eer vindt om de titel koningin te gaan dragen — gemakshalve corrigeer ik haar onhandige letterlijke uitspraak meteen maar even. Maar kennelijk heeft het woordje 'mogen' in deze gekroonde hoofden een uiterst merkwaardige connotatie.

Met het 'dankbaar' zijn, het een 'hele eer' vinden en het 'mogen', worden echter twee mogelijke verwijzingen naar binnengesmokkeld waar republikeinen bepaald niet van gediend zijn.

In de eerste plaats is daar een impliciete notie van het verhevene, het hogere, het goddelijke. God geeft daarbij Beatrix — en nu dus ook Willem-Alexander — niet zozeer toestemming om over ons te regeren, maar God heeft hen daartoe uitverkoren. Voor die uitverkoren positie verklaren zij God dankbaar te zijn en ervaren het als een grote eer op zijn voorspraak respectievelijk onze koningin en koning te 'mogen' zijn. En aldus wordt de middeleeuwse formule van regeren 'bij de gratie Gods' over een overwegend seculier Nederland weer eens onder het Calvijnse stof vandaan getrokken. Zoals God naar verluidt uit genade zonde kan kwijtschelden, is de uitoefening van het hoogste bestuurlijke ambt kennelijk ook een act van Goddelijke genade aan deze ene familie.


Utrecht, 1 februari: 'Weg met de monarchie - het is 2013'
In de tweede plaats hebben we natuurlijk te maken met het principiële punt van een ontbrekende democratisch mandaat van de monarch. Níet gekozen zijn, maar tóch het ambt van staatshoofd 'mogen' bekleden is een hele eer, waarvoor vervolgens dankbaarheid aan het volk wordt uitgesproken. Dat die veronderstelling op z'n minst voorbarig, zoniet overmoedig is, blijkt niet alleen uit het feit dat de monarchie angstvallig wettelijk niet referendabel is, maar zelfs al uit de verkrampte en paniekerige arrestatie afgelopen vrijdag van een verongelijkte mevrouw die met een doorgeladen stuk karton haar bezwaar tegen erfopvolging binnen een democratie kenbaar maakte. Het koninklijk mandaat is slechts gefundeerd op flinterdunne populariteitspeilingen, en wordt Nederland — tot het moment dat er een heldere verkiezingsuitslag ligt — gewoonweg door de strot geduwd, op precies dezelfde wijze zoals in 1813 hier de monarchie uitbrak.

Of die uitgedrukte 'dankbaarheid' en 'vereerdheid' om over ons te 'mogen' regeren nu verwijzen naar een vermeende Goddelijke uitverkoring of de hondsbrutale aanname — waarschijnlijk zelfs beide — dat Nederland deze familie aan het roer wil, hebben we hier gewoon te maken met megalomane zelfverheffing aan de ene, en kruiperige onderdanigheid aan de andere kant. En dat laatste noemt men dan weer: dankbaarheid.